Hartproblemen als langetermijneffect van borstkanker

Chemotherapie en bestraling zijn zeer effectieve methoden om borstkanker te behandelen. Echter, op de lange-termijn geven deze behandelingen mogelijk een verhoogd risico op het ontstaan van hart- en vaatziekten. Om een duidelijk beeld van de omvang van het risico te krijgen is de BLOC-studie gestart.

Wat is de aanleiding voor dit project?
Steeds meer vrouwen overleven borstkanker. Dit komt door betere behandelingen en het eerder ontdekken van de borstkanker. Maar vrouwen met de diagnose borstkanker sterven wel meer aan hartproblemen dan andere vrouwen. Dit komt mogelijk door de effecten die de borstkanker-behandeling op de lange termijn heeft op het hart en de bloedvaten. Met dit onderzoek wordt gekeken hoe groot de kans is dat vrouwen die behandeld zijn voor borstkanker hartproblemen krijgen.

Hoe wordt het project uitgevoerd?
Voor dit project wordt contact opgenomen met verschillende huisartsen uit Noord-Nederland. Vanuit de huisartsen worden alle vrouwen die zijn behandeld met chemo-of radiotherapie voor borstkanker, uitgenodigd voor het onderzoek. Voor elke vrouw die behandeld is voor borstkanker wordt ook een vrouw uitgenodigd uit dezelfde praktijk, van dezelfde leeftijd. Alle vrouwen vullen vragenlijsten in, krijgen een kort lichamelijk onderzoek, een hartfilmpje en een echo van het hart. Om het risico op hart en vaatziekten goed in te kunnen schatten, wordt er ook bloed afgenomen waarbij gekeken wordt naar o.a. het cholesterol en glucose. Daarnaast wordt er bloed afgenomen voor het bepalen van biomarkers van het hart. Dit zijn stoffen die in het bloed kunnen aantonen dat het hart schade heeft opgelopen. Mogelijk kunnen deze stoffen als een screening worden toegepast om hartproblemen vroeg aan te tonen.

Wat is de status van het project, zijn er resultaten?|
De onderzoekers vergeleken 350 vrouwen die langer dan 5 jaar geleden behandeld zijn voor borstkanker met 350 vrouwen zonder kanker. Vrouwen die na hun operatie aanvullend behandeld
werden met chemotherapie en/of bestraling hadden een wat hoger risico op een verminderde pompfunctie van het hart.
Bij vijftien procent van de vrouwen met borstkanker was de hoeveelheid bloed die uit de hartkamer wordt gepompt onder de normale waarde. In de groep van vrouwen zonder kanker in het verleden, was dat zeven procent. In de meeste gevallen was de afname echter klein en de pompfunctie dus redelijk. Dit had geen klinische consequenties zoals behandeling met medicijnen of verwijzing naar de cardioloog.
Op basis van deze studie kan geen uitspraak worden gedaan of vrouwen met een beginstadium van borstkanker moeten kiezen voor een borstsparende operatie met bestraling, of borstamputatie zonder bestraling.

Wat is de impact voor de borstkankerpatiënt?
Met dit onderzoek hopen de initiatiefnemers te kunnen vertellen hoe groot de kans is op hartproblemen na behandeling met chemotherapie en/of bestraling. Mogelijk kunnen zij ook vaststellen welke vrouwen hartproblemen hebben door middel van biomarkers. Door deze vrouwen vroeg op te sporen en dan eerder te behandelen voor hartproblemen, hopen we ziekte en sterfte te voorkomen.
Resultaat: Vrouwen die voor borstkanker zijn behandeld met chemo- en/of radiotherapie hebben significant vaker een cardiale disfunctie in vergelijking met een controlegroep. De disfunctie is echter mild en heeft geen klinische consequenties.

Meer informatie over de studie: http://kennisinzicht.umcg.nl