Resistentie hormonale therapie bij vrouwen met uitgezaaide; hormoongevoelige borstkanker nader onderzocht

Voor patiënten met uitgezaaide hormoongevoelige borstkanker, is het geven van hormonale therapie één van de belangrijkste behandelingen. Door hormonale therapie te geven, wordt de levensverwachting en de kwaliteit van leven van deze vrouwen doorgaans tijdelijk verbeterd. Helaas treedt bij alle vrouwen, ook bij degenen die eerst baat hadden bij de therapie, uiteindelijk resistentie op tegen de hormonale behandeling.

Wat is de aanleiding voor dit onderzoek?
Voor patiënten met uitgezaaide hormoongevoelige borstkanker, is het geven van hormonale therapie één van de belangrijkste behandelingen. Door hormonale therapie te geven, wordt de levensverwachting en de kwaliteit van leven van deze vrouwen doorgaans tijdelijk verbeterd. Helaas treedt bij alle vrouwen, ook bij degenen die eerst baat hadden bij de therapie, uiteindelijk resistentie op tegen de hormonale behandeling. In dit project willen de onderzoekers mutaties en andere moleculaire veranderingen (zogenaamde “splice variants”) van de oestrogeen receptor (ER) identificeren die mogelijk bijdragen aan de ontwikkeling van resistentie op hormonale therapie voor uitgezaaide borstkanker. Deze mutaties en splice varianten zouden er voor kunnen zorgen dat de tumor groeit in afwezigheid van oestrogeen, waardoor hormonale therapie onwerkzaam wordt.

Wat is het doel?
In dit project wordt onderzocht of mutaties en splice varianten van de oestrogeen receptor verantwoordelijk zijn voor resistentie op hormonale therapie.

Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?
In een eerdere door Pink Ribbon gefinancierde studie (Karakteriseren van kankercellen in het bloed) en uit andere studies is bloed verzameld van patiënten met uitgezaaide borstkanker die met hormonale therapie behandeld werden. Het doel van deze studies was het tellen en het karakteriseren van circulerende tumorcellen (CTC’s).
Daarnaast is bloedplasma bewaard om circulerend tumor DNA (ctDNA) te onderzoeken. CTC’s en ctDNA kunnen belangrijke informatie over de eigenschappen van kankercellen opleveren en zijn aantrekkelijk omdat ze als een nauwelijks belastend, ‘vloeibaar biopt’ kunnen fungeren. In plaats van een biopsie van een uitzaaiing, die vaak pijnlijk en in sommige gevallen onmogelijk is, worden CTC’s en ctDNA namelijk uit het bloed gehaald en verder onderzocht. Vanuit eerdere studies zijn CTC’s en ctDNA beschikbaar van patiënten die gingen starten met hormonale therapie en van patiënten die progressie hadden na hormonale behandeling. Door nu de aanwezigheid van mutaties en splice varianten te onderzoeken in deze groepen, kunnen mutaties en splice varianten geïdentificeerd worden die een rol spelen bij resistentie op hormonale therapie.

Wat zijn de te verwachten resultaten en wat is de impact voor de borstkankerpatiënt?
Indien resistentie op hormonale therapie eerder gedetecteerd kan worden via de aanwezigheid in het bloed van mutaties of splice varianten, zou dit op termijn de levensduur en kwaliteit van leven van patiënten met hormoongevoelige uitgezaaide borstkanker kunnen verbeteren. Als resistentie eerder wordt gedetecteerd, kan tijdig een effectievere behandeling worden gekozen of kan een patiënt juist een niet-effectieve behandeling met onnodige bijwerkingen bespaard blijven. Daarnaast is begrip van de mechanismen die bijdragen aan resistentie op hormonale therapie van het grootste belang om strategieën te ontwikkelen om therapieresistentie op hormonale therapie beter te kunnen behandelen.