Betere inschatting van borst- en eierstokkankerrisico

In sommige families komt borst- en/of eierstokkanker opvallend vaak voor. Vaak is er dan sprake van erfelijkheid. Vrouwen die zelf (nog) niet ziek zijn, maar wel een erfelijk verhoogd risico hebben, kunnen voor moeilijke keuzes komen te staan. Laten ze bijvoorbeeld hun borsten afzetten om borstkanker op latere leeftijd te voorkomen? Om hen optimaal te kunnen adviseren (genetische counseling), willen onderzoekers goed in kunnen schatten hoe hoog die risico’s precies zijn.

Maaike VreeswijkBRCA-genen
Dr. Maaike Vreeswijk is zo’n onderzoeker. In het LUMC onderzoekt ze het verband tussen erfelijke veranderingen in het DNA (DNA-varianten) en het risico op kanker. “Midden jaren ’90 werden BRCA1 en BRCA2 ontdekt: twee genen die, als daar veranderingen in ontstaan, het risico op borst- en eierstokkanker sterk kunnen verhogen; tot wel 60-80%. Later zijn er nog meer van zulke genen ontdekt.”

De BRCA-genen genieten sindsdien flinke belangstelling van wetenschappers. Want welke DNA varianten zorgen nu daadwerkelijk voor een grotere kans op kanker? “Als er één ding is dat de onderzoeken sindsdien laten zien, is het wel dat het allemaal ingewikkelder is dan we dachten. Voor sommige DNA varianten is het verband met kanker heel duidelijk. Maar er zijn ook DNA-varianten gevonden waarvan helemaal niet duidelijk is of ze het risico op kanker verhogen, de zogenaamde ‘variants of uncertain significance’. Zoals de naam al zegt, geeft het veel onduidelijkheid in families waarin zulke varianten zijn gevonden.”

Schakelaar of dimmer?
In dit Pink Ribbon-project wil ze een einde maken aan de onzekerheid in deze families. Wat ze gaat doen is zeker geen eenvoudige kost om uit te leggen. “We gaan ons richten op eiwitfunctie. Want het effect van de DNA-varianten vertaalt zich uiteindelijk in de werking van de BRCA-eiwitten. DNA-varianten hebben geen effect op de functie van het BRCA eiwit, óf ze zorgen dat het eiwit compleet z’n functie verliest. En dan heb je in het laatste geval dat kankerrisico van 60 tot 80%.”

Die gedachte gaat na dit onderzoeksproject wellicht op de schop: “Als je BRCA-eiwit helemaal niet meer werkt is je risico 60-80%, maar wat als je BRCA-eiwit nog voor de helft werkt? Gaat het risico dan ook met de helft omlaag? Voor een patiënt die voor de keuze staat om preventief haar borsten te verwijderen, is dat hele belangrijke informatie”, vertelt Vreeswijk.

Stambomen uitpluizen
Het onderzoek heeft een stevig lab-onderdeel, waarin Vreeswijk en haar team onderzoeken of en in welke mate een bepaalde DNA-variant effect heeft op de functie van het BRCA-eiwit. Oftewel: zorgt variant X voor een ‘volledig verpest’ eiwit, of werkt het eiwit nog een beetje? Ze hebben een test ontwikkeld die het mogelijk maakt om dat grondig uit te zoeken.

Het unieke dat Vreeswijk en collega’s aan die kennis gaan toevoegen, is een grote verzameling (geanonimiseerde) familiegegevens: “Als we weten dat er een drager is van een bepaalde DNA-variant, proberen we informatie over haar familie te verzamelen. Wat voor soort tumoren hebben familieleden gekregen? En op welke leeftijd? Wie is er drager van de variant? Bij de families waarbij het BRCA-eiwit z’n functie volledig heeft verloren, zie je vaker en op jongere leeftijd kanker. Wij zoomen in dit onderzoek in op de families waarin een DNA variant is gevonden die ervoor zorgt dat het eiwit minder goed werkt. . Het kankerrisico in die families kunnen we vergelijken met het risico in families waarin een DNA variant is gevonden die tot een totaal verlies aan eiwitfunctie leidt. Het ultieme doel is dat we voor iedereen straks een goede schatting van het kankerrisico kunnen geven, maar nu is het nog niet zover dat ik even een testje in het lab kan doen en morgen zekerheid kan geven. Daarvoor moeten we in dit project eerst de relatie tussen de mate van eiwit functie en de hoogte van het kankerrisico goed in kaart brengen.”

Samen
Tot slot wijst Vreeswijk op het persoonlijke aspect van haar werk. Ze vindt het leuk om samen te werken en dat gebeurt dan ook volop: “Voor het verzamelen van geanonimiseerde familiegegevens werken we nauw samen met professionals die betrokken zijn bij counseling en klinisch genetici in heel Nederland en daarbuiten. Elk academisch centrum in Nederland heeft een laboratorium voor DNA-diagnostiek, en we werken met allen enorm goed samen. Dat is essentieel om dit project goed uit te kunnen voeren.”

“Wat ik daarnaast zo leuk vind, is dat we met geld van donateurs de nieuwe generatie wetenschappers opleiden. Daar zijn donateurs eigenlijk te weinig van op de hoogte, kwam ik achter toen ik eens een rondleiding hier op het lab verzorgde. Men denk dat het geld vooral terecht komt bij voedingsmiddelen voor de cellen waarmee de experimenten worden gedaan. Deels is dat zo, maar er werken hier ook veel jonge onderzoekers die hopen te promoveren op hun onderzoekswerk. Daar werken ze vol passie en gedrevenheid aan dankzij financiering van KWF en Pink Ribbon. Dat vind ik supermooi.”